Onderwijs is een centraal element in de missie van de Vlaamse universiteiten. Binnen VLIR plegen de universiteiten overleg over het onderwijsbeleid dat ze binnen hun instellingen voeren. Via VLIR stroomlijnen de universiteiten de banden met de andere partners die het hogeronderwijsbeleid bepalen: de Vlaamse overheid, de studenten, de Vlaamse hogescholen, Europese spelers, het secundair onderwijs, middenveldorganisaties.
Voor de samenstelling van de VLIR-overlegfora: klik hier.
Weet waar je staat, voor je naar de unief gaat.
In de overgang tussen het secundair en het hoger onderwijs kunnen leerlingen gebruik maken van verschillende instrumenten die hen kunnen ondersteunen in hun studiekeuze. Deze instrumenten worden getrapt ingezet vooraleer in te schrijven in een welbepaalde opleiding. De getrapte aanpak loopt parallel met het studiekeuzeproces: leerlingen moeten zich ervan bewust zijn dat het maken van een keuze zich aandient. Vervolgens moeten studiekiezers aangemoedigd worden om zowel het opleidingsaanbod als de eigen interesses en vaardigheden breed te exploreren en op zoek te gaan naar opties die bij hen aansluiten.
De start- en ijkingstoetsen maken deel uit van deze getrapte aanpak en vinden plaats in een latere fase van het keuzeproces, eenmaal de explorerende fase afgesloten is en een studiekiezer meer informatie inwint over een beperkt aantal opleidingen. De universitaire start- en ijkingstoetsen bieden de studiekiezer hulp bij de overgang naar het academisch onderwijs: de deelnemer krijgt dankzij de meerkeuzevragen en de uitgebreide feedback een beeld van zijn/haar wiskundige en wetenschappelijke vaardigheden en kennis in verhouding tot het verwachte instapniveau van de bacheloropleiding.
Voor meer informatie zie: www.ijkingstoets.be
De universiteiten investeren al vele jaren systematisch in de evaluatie en verbetering van hun opleidingen. Sinds de jaren ’90 waren alle opleidingen onderworpen aan een extern systeem van terugkerende beoordelingen (visitaties) die leidden tot een formele accreditatie. Na drie decennia werd gewerkt aan een nieuw stelsel waarbij de universiteiten de kwaliteitsborging van hun opleidingen zelf in handen nemen.
Om zelf de kwaliteit van haar opleidingen te borgen, heeft elke universiteit een eigen regie uitgewerkt. Deze regie is onderdeel van het onderwijsbeleid, is ingebed in de kwaliteitscultuur van de universiteit en omvat het geheel van acties, processen, praktijken, procedures en instrumenten voor de kwaliteitsborging. Bij hun kwaliteitszorg betrekken de universiteiten naast interne en externe stakeholders ook externe, onafhankelijke deskundigen. De informatie is beschikbaar op de website van de universiteiten.
De universiteiten tonen ook aan hoe ze zelf borg staan voor de kwaliteit van hun opleidingen. Die verantwoording gebeurt via een instellingsreview die om de zes jaar wordt uitgevoerd door een externe commissie bestaande uit onafhankelijke (inter)nationale deskundigen en een student. De instellingsreview beoordeelt of het gevoerde onderwijsbeleid en de wijze waarop de instelling de onderwijskwaliteit waarborgt (de regie) voldoende kwaliteitsvol is.
Een positieve uitkomst – d.i. als de universiteit aantoont dat ze de kwaliteit van haar opleidingen autonoom kan borgen – leidt tot verlenging van de accreditatietermijnen voor geaccrediteerde opleidingen. Bij een negatieve instellingsreview worden alle opleidingen opnieuw apart via externe commissies op hun kwaliteit beoordeeld, terwijl de instelling verder werkt aan de versterking van de eigen regie. Basis van het stelsel blijft de formele accreditatie door een externe accreditatieorganisatie.
De universiteiten leggen ook maatschappelijk verantwoording af door informatie over de kwaliteit van elke geaccrediteerde opleiding op hun website te publiceren.
De door de Vlaamse overheid ontwikkelde website Opleiding in cijfers met kwantitatieve gegevens stelt voor alle opleidingen gelijkaardige informatie beschikbaar aan het grote publiek.
Binnen de Werkgroep Kwaliteitszorg overleggen de universiteiten in openheid over KZ-gerelateerde materies en wisselen ze goede praktijken uit. De universiteiten nemen ook deel aan Systeembrede analyses die zijn bedoeld om goede praktijken op het vlak van onderwijsbeleid en opleidingskwaliteit in beeld te brengen en te delen binnen de hogeronderwijsgemeenschap.
Bij de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs kunnen leerlingen gebruik maken van verschillende instrumenten die hen ondersteunen in hun studiekeuze. Deze instrumenten worden getrapt ingezet vooraleer in te schrijven in een welbepaalde studierichting.
De getrapte aanpak loopt parallel met het studiekeuzeproces: leerlingen moeten zich ervan bewust zijn dat het maken van een keuze zich aandient. Vervolgens moeten studiekiezers aangemoedigd worden om zowel het opleidingsaanbod als de eigen interesses en vaardigheden breed te exploreren en op zoek te gaan naar opties die bij hen aansluiten.
De start- en ijkingstoetsen maken deel uit van deze getrapte aanpak en vinden plaats in een latere fase van het keuzeproces, eenmaal de explorerende fase afgesloten is en een studiekiezer meer informatie inwint over een beperkt aantal opleidingen. De start- en ijkingstoetsen testen bepaalde beginvoorwaarden of startcompetenties die eigen zijn aan een welbepaalde opleiding of een groep academische opleidingen.
Het validiteitsrapport van de start- en ijkingstoetsen is een systematische analyse van het gegeven van de start- en ijkingstoetsen als een versterkend element in de overgangsfase tussen uitstroom uit het secundair onderwijs en instroom in het hoger onderwijs beoogd. Dit rapport is één van de resultaten van de uitvoering van de decretale opdracht met betrekking tot verplichte deelname aan een starttoets voor inschrijving in bepaalde bacheloropleidingen.
Andere belangrijke opdrachten zijn: de uitwerking van de remediëring die vanaf 2023 verplicht is voor wie niet slaagt op een starttoets, de versterking van de feedback die deelnemers krijgen en de inhoudelijke afstemming van de starttoetsen op de verwachte begincompetenties van de bachelor.